maandag 28 maart 2016

Mensen

Onlangs las ik in de krant over iemand die mensenschuw wordt als ie teveel onder de mensen is. Bij mij is het precies andersom. Ik word mensenschuw als ik weinig onder de mensen ben.


Ik vind het kluizenaren heerlijk. Ik skype elke dag eventjes met iemand in NL (wil je een afspraak boeken, app dan even - dan plan ik je in :P), zodat ik mijn stembanden een beetje smeer en verder hoef ik helemaal niemand te zien of te spreken.


Want sociaal zijn kost me enorm veel energie. Altijd. Dat wist ik wel, maar ik voel het nu ook. Ik voel me verantwoordelijk voor een soepel verlopende interactie, zodat mensen me hopelijk wellicht de volgende keer nog eens willen aanspreken, dus ik werk er hard voor. Altijd. Dat hoeft nu niet. Die energie besteed ik aan mensen kijken als ik stilletjes in een hoekje van een zonnig terrasje zit, en - natuurlijk - aan het herzien van het 3de, 4de en 5de hoofdstuk van mijn boek.


Maar omdat het sociaal zijn nu even niet hoeft, vraag ik me ook elke dag weer af of ik het nog wel kan: zomaar oogcontact maken met iemand op straat. Of die iemand (god verhoede) moeten groeten. En dan ook nog in mijn derde taal. En met een wandelstok val je ook al zo op....


Dus elke dag - na een paar uur lezen en schrijven in de vroege ochtend - moet ik weer even die eerbiedwaardige drempel van mijn sjieke appartement over. Dan jaag ik mezelf het trappenhuis in, de straat op. Hup.


Daar in dat trappenhuis is al van alles, al ben ik er nog nooit iemand tegengekomen. Af en toe geluiden: klepperende brievenbussen, dichtslaande vuilnisbakken en er is een operazangeres in huis! En altijd geurtjes: vaak dure Weense parfum (van de zangeres?), of Schweinengebrat of vers brood. Lekker hoor.


Dan sluip ik snel de trappen af - klik-klik-klik, met mijn stok - en op straat ga ik dan een ommetje maken. Boodschappen doen of koffie drinken of een kaarsje branden in de Servitenkerk aan de overkant of in het park liggen.


Vanochtend had ik zelfs zoveel moed verzameld dat ik aangebeld heb bij de onderbuurvrouw om kennis te maken en haar te bedanken voor de paaseitjes die ze een paar dagen geleden voor mijn deur had achtergelaten.


Ze waren eigenlijk bedoeld geweest voor de eigenaar van mijn huis, en ze was zichtbaar teleurgesteld dat hij nog niet terug was, al was ze uiterst vriendelijk voor me. Maar daar had ik dan ook weer heel hard sociaal mijn best voor zitten doen. In mijn derde taal. Met mijn wandelstok.

zondag 27 maart 2016

Badgast





Wenen is opgedeeld in woonwijken (Bezirke) met nummers. Ik vind dat altijd wat lugubers hebben: nummers in plaats van namen, maar het begint te wennen. Ik woon in het Neunte. Dat is op stand, kan ik je vertellen. Vlak bij het centrum - niet de lasten ervan, wel de lusten, prachtige fin-de-siècle huizen. Het gele is het mijne - ik woon aan de achterkant - lekker stil.
En direct aan de overkant staat deze kerk
waar ik af en toe even stieken naar binnenglip om een kaarsje te branden voor mijn pappie en mijn tante Eva:
Maar vandaag was ik in het Zehnte Bezirk. Dat is om de hoek, zou je zeggen, maar nee. Bij 9 was de eerste ring rond de binnenstad vol en begonnen ze helemaal aan de andere kant van de stad met verder tellen. Als de Staatsliedenbuurt 9 is, dan is de Bijlmermeer 10. Ook qua sociale status.


Wat deed ik daar in het Zehnte? Omdat mijn beste vriendinnen van zins zijn alle roeiclubs in Wenen op te bellen om ze op te dragen me bij de deur van het boothuis tegen te houden - en bedankt hè dames! - ga ik dan maar wat anders verzinnen om m'n heup verder te vernaggelen.


Het Zehnte bestaat voor een deel uit tamelijk deprimerende naoorlogse hoogbouw. Maar het herbergt ook het mooiste zwembad van de stad: het Amalienbad, gebouwd in 1926 - hetzelfde jaar als mijn huis in Utrecht, maar volkomen anders van stijl.
Ik heb nog nooit zo'n mooi zwembad gezien. En op Paasmorgen zitten alle Weners of aan hun Paasontbijt of in de kerk (die ik zojuist voortijdig had verlaten), dus het was nog lekker rustig ook.
Het Amalienbad is mooi, maar een van de redenen dat ik het gaaf vind, is dat ik geïmponeerd word. Ik geef het niet graag toe, maar het is wel zo: het zwembad doet intimiderend en disciplinerend aan. Een sanatorium in de mildste der lezingen, een panopticon-gevangenis in de scherpste.
En de mores in het zwembad zijn daar helemaal op ingesteld. Elke foto heeft een klok, zie je dat? Je kan precies zien wanneer ik waar was en dat ik de presentatievolgorde van de foto's heb omgedraaid.


Er zijn ook hele strenge badmeesters en vooral -juffen, die je continue de indruk geven dat het een gunst is dat je in dat zwembad mag zwemmen. Daar wordt op het internet enorm over geklaagd. Nurse Ratched van One Flew over the Cuckoo's Nest is er een engeltje bij vergeleken (dat is de meest politiek correcte vergelijking die ik kan verzinnen).


En al die celdeurtjes zijn cabines. Net als bij de röntgenkamer in het ziekenhuis. Je komt de cabine aan de ene kant binnen en sluit die deur af met een neerklappend bankje. Dan kom je aan de zwembadkant weer naar buiten en van die deur heb je een sleutel. Het is erg handig, vooral als je een stok bij je hebt die niet zomaar in een kluisje past. Maar ook in de cabine moet je netjes doen wat de autoriteiten zeggen:
Ook dat is heel handig, want de druppels van je natte haren vallen zo niet in je schoenen. Er is echt over nagedacht en als je nu maar gewoon netjes doet wat je opgedragen wordt, heb je heus een uiterst aangename zwemervaring. Ik heb een uur lang heerlijk gezwommen, zonder pijn.


Eén puntje van orde heb ik nog wel voor de dames en heren zwemopzichters - alleen dat durfde ik nog niet te zeggen vandaag: ze hebben geen banen afgezet. Iedereen zwemt door elkaar, dus als borstcrawler moet je tussen de kletsende oma's en spelende kinderen doorslalommen. "Dat doen we in het stadsverkeer toch ook niet!" wordt er op de website wanhopig gereaguurd, maar daar trekken ze zich bij het Amalienbad helemaal niets van aan. Badegäste zijn gasten, geen klanten.

Paasmis

Ik geloof niet dat ik in Nederland ooit naar een Paasmis ben geweest. Ook nog nooit naar een Kerstmis trouwens. Maar als ik in het buitenland ben, vind ik het altijd leuk om ter kerke te gaan. In Oxford bij de Anglicanen (maar daar ging ik elke week - met het Chapel Choir waarin ik zong). In Los Angeles bij de Indiase TV-dominee. Hallelujah! En in Zuid-Afrika heb ik  ook menig kerk van binnen gezien.


Het is ontegenzeglijk toerisme, maar ik vind het toch ook fijn: dat meditatieve en rituele. Het gezamenlijk je aandacht ergens op richten en er bij stil staan. "De ziel van binnen bekijken" zei mijn oma altijd. Helemaal als je intussen in een mooie ruimte bent met mooie muziek.


Dus vandaag naar de Paasmis, het Pontifikalamt, in de Sankt Stephan, de Weense Domkerk. De Kardinaal zelve ging voor, en het Wiener Domchor, de Weense tegenhanger van onze Utrechtse Domcantorij (waarmee ik overigens wel op gezette tijden ter kerke ga), zong de dienst, met voor de gelegenheid ook een heel orkest erbij  voor Haydn's Nelson-mis.


De Anglicanen zouden zeggen: heel erg high church - alle katholieke contra-reformatorische toeters en bellen zaten erop: De kardinaal in goud en roze uitgedost, met een grote mijter op zijn hoofd, en een staf in zijn hand. In processie door de kerk, terwijl hij het volk steeds maar weer zegende met het slaan van kruisjes. Twee misdienaren met hevig walmende wierookpotten. Een ervan was een jonge vrouw die een prachtige vloed zwart haar over haar habijt had vallen. Er liepen ook vier Indiaas ogende prelaten mee. Verder waren het allemaal heeeele oude bibberige witte mannetjes. Sorry, ik hoop niet dat ik mijn katholieke vrienden voor het hoofd stoot - observaties zijn nooit neutraal, moet je maar denken.


Ik was een kwartiertje van te voren aanwezig, maar de Dom (die nog vele malen groter is dan de Utrechtse) was al afgeladen vol. Er waren stoelen bij gezet, er stonden mensen langs de kant. Ik vond met moeite nog een zitplaats in een zijbeuk. Er waren werkelijk duizenden mensen.


En ik zat daar rustig, tot ik plotseling overal plietsie-agenten ontwaarde. Ze liepen rond, vroegen af en toe iemand een tas open te maken. Verrek, dacht ik. Da's waar ook. Wat een doelwit is dit. Een bom in het heiligdom van de voormalige hoofdstad van het Habsburgse Rijk - de historische tegenhanger van het Ottomaanse Imperium - net op het moment dat de Christenen in groten getale de Wederopstanding van hun Heer aan het vieren zijn.


Ik werd een beetje nerveus. "Ik geloof alles wat hier gebeurt niet eens. Moet ik daar mijn leven voor op het spel gaan zetten? Ik kom alleen maar een beetje kijken." Maarja, zei mijn moeder later nuchter, Utrecht CS in de spits is net zo'n aantrekkelijk doelwit voor die bomgordeltypes (die waarschijnlijk toch nooit van de geschiedenis van het Habsburgse Rijk gehoord hebben), en daar sta ik bijna elke dag.


Maar de zalvende woorden van de Kardinaal werden toch weer wat moeilijker te geloven: Jezus is opgestaan en is nu bij ons, hij beschermt ons, hij geeft ons vrede - voelt u het? Tja, met een batterij plietsie-agenten om ons heen die Jezus een handje moeten helpen, voel ik vooralsnog niet zoveel. En dát is precies wat die bomgordeltypes willen.


Ik voelde wel dat ik heel nodig moest plassen in die koude kerk. Nee, ik was niet bang. Écht niet. Maar ik was dus voor het Credo de kerk al uit.

vrijdag 25 maart 2016

Donau

Ik verheug me altijd enorm op reizen, op weggaan, landschappen zien veranderen, nieuwe plekken en mensen leren kennen. Maar met een kapotte heup en veel pijn wilde ik het liefst alleen maar dicht bij bekende lieve mensen zijn, en niet hoeven sjouwen met een koffer. Heel opvallend hoe je op meerdere vlakken ingeperkt wordt door pijn: het is niet alleen maar het been dat niet wil bewegen; het hele systeem gaat down, verliest initiatief, wordt aarzelend en voorzichtig, en dat heeft een functie - zodra je er doorheen breekt omdat je je niet door pijn wil laten kisten, word je genadeloos afgestraft met nog veel meer pijn.


Ik was dus wat bibberig aan deze reis begonnen en dat was een volkomen onbekend en daarmee extra beangstigend gevoel voor me: "Wat zullen we nou hebben? Liever thuis willen blijven? Huh?" - en de komende blogjes zullen dus onvermijdelijk ook een beetje over die bibberigheid gaan - die hoort nu ook bij me.


Ik was wel heel blij dat ik met de trein ging. Geen lange loopbanden naar gates en net te kleine vliegtuigstoelen met klemzittende knieën, maar gewoon op Utrecht CS opstappen en dan opstaan en zitten wanneer ik wil. Wel bijna 11 uur reizen -  net zo lang als met het vliegtuig naar Johannesburg - en maar 12 minuten overstaptijd in Frankfurt.


Dat ging dus mis. De trein had in Utrecht CS al een kwartier vertraging en dat haalden we niet meer in. Dat krijgen ze in NL toch mooi voor elkaar tussen startpunt A'dam en Utrecht...


Maar in Duitsland weten ze wel raad met dat soort problemen. De Deutsche Bahn is immers ook niet meer wat het geweest is en gaat hard richting NS (no pun intended, sorry). Dus ik kreeg allerlei mooie stempels op mijn treinkaartje dat het nu geldig was op alle treinen naar Wenen ("Zugbindung aufgehoben") en dat ik de helft van mijn geld terug zou krijgen en ik kreeg een nieuwe reservering in de Panorama Lounge der Eerste Klasse. Zo. Het helpt om met een stijlvolle wandelstok op reis te zijn.


Dus ik installeerde me in de Lounge van de volgende trein, die ik helemaal voor mezelf had, mijn koptelefoon op met lekkere reismuziekjes, Ein grosses Bier (een halve liter, even duur als een kop thee) en lekker uit het raampje staren terwijl we de Donau afzakten. OK, dit is het echte reizen.
Als "reisgids" had ik het wonderbaarlijke boek van Claudio Magris bij me, dat heel toepasselijk Donau heet en niet alleen de loop van de Donau volgt, maar ook een (naar mijn idee nogal monolitische) geschiedenis van Midden-Europa.


Een positivist, die Magris, die nog denkt in termen van beschaving, enzo, maar wel een mooie positivist. Zo zegt hij over reizen: "Toch is bewegen beter dan niets: je kijkt uit het raampje van de trein die door het landschap snelt, je stelt je bloot aan het beetje koelte dat neerdaalt van de bomen langs de laan waar je je onder de mensen begeeft, en er gaat iets door je heen, de lucht dringt je kleren binnen, je "ik" zet uit en krimpt als een kwal, er sijpelt wat inkt uit het reservoir... De banden worden losser, en dat is prettig want het uniform is vervangen door een pyjama, maar toch lijkt het meer op een speelkwartier dan op de belofte van een grote bevrijding, een dolzinnige vlucht over de grens."


Mijn speelkwartier was dat ik al lezend en starend uit het raam dankzij meneer Magris van alles te weten kwam over de stadjes waar ik langsreed. Ulm bijvoorbeeld (speciaal voor Johan), waarover Magris (of eigenlijk de omstreden schrijver Céline) schrijft: '"Geloof je in Ulm?" Hier is de Donau nog jong en Oostenrijk nog ver, maar kennelijk is de rivier nu al een listige meester in de ironie, in die ironie die de Midden_Europese beschaving groot heeft gemaakt en die bestond uit de kunst de eigen steriliteit slinks te misleiden en de eigen zwakte schaak te zetten.' OK... Dat was Ulm....


Intussen waren we bij Passau, en werd ik erg getroffen door wat hij zei over schrijven: "Heb ik dat gevoel van de volheid van het leven, dat geschenk van de endorfine ... of van een of ander weldadig zuur dat de hersenen afscheiden, werkelijk gehad in de straatjes en aan de oevers van Passau, of denk ik alleen maar dat ik het heb ervaren omdat ik het nu probeer te beschrijven aan een tafeltje in een café? Waarschijnlijk huichel je, verzin je op papier elk geluksgevoel. Het schrijven kan misschien niet echt de absolute verlatenheid tot uiting brengen, het niets van het leven, die momenten waarop het alleen maar leegte is, ontbering, gruwel. Het feit alleen al dat je erover schrijft vult op een of andere manier die leegte, geeft haar vorm, maakt de gruwelen communicabel en zegeviert erover al is het maar even." Ouch. Raak.


Bij Linz ("dat zo mooi rijmt op Provinz", adus Magris) was het donker geworden. Ik kon de Donau niet meer zien. En ik kan er ook al niet op roeien, maar misschien nog wel in zwemmen.  Wie weet. Hoe het ook zij, ik ga erover schrijven.

Schoonheid

Wel bloggen? Niet bloggen? Er valt eigenlijk helemaal niets te vertellen, dames en heren, want ik ben hier helemaal teruggetrokken in mijn eigen binnenwereld. Kluizenaren. Heerlijk vind ik dat na de maandenlange hectiek op het werk en de dramatiek van een versleten heup die plotseling helemaal niets meer kon en wilde (voor degenen die het gemist hebben: ik loop nu door op cortico-steroiden, maar de boel is nu wel definitief helemaal kapot,en dat voel ik - snel maar aan de kunstheup).


Maar er valt ook een hele hoop te vertellen, want ik heb - ondanks de schrik van dreigende immobiliteit - toch echt het gevoel dat ik op reis ben. Naar een plek die ik nog helemaal niet ken, maar waar ik wel veel persoonlijke geschiedenis heb liggen: mijn familie van vaderskant is voortgekomen uit het Habsburgse Rijk, met een Tsjechische over-(over?)-grootvader, een Servische overgrootmoeder en een Roemeense grootvader. Er zaten valsmunters tussen, dronkelappen, verzetstrijders tegen de Habsburgers (en vast ook collaborateurs), hereboeren, hoerelopers, oermoeders - aan meeslepende verhalen geen gebrek in mijn familie. De woorden story and history zijn niet voor niets bijna hetzelfde....


En nu zit ik  hier in een minstens 100 jaar oud Weens appartement dat zulke geschiedenissen ademt. Hoge plafonds, voornaam krakend houten parket, veel licht, aan zo'n echt Midden-Europees trappenhuis met glas-in-lood ramen en tierlantijntjes in de parterre. Ik ga geen foto's op het internet knallen - het is iemand anders zijn huis en ik weet niet of ik het leuk zou vinden als ik foto's op het internet zou aantreffen van mijn boekenkasten, sofa's en studeerkamer zonder dat ik daarvan wist. Vraag de foto's maar op via de app.


Want die boekenkasten, sofa's, en studeerkamer mogen er wezen - om maar te zwijgen van de in de muur gebouwde luidsprekers in de badkamer (en elke andere kamer) zodat je in het ligbad naar Debussy kunt luisteren, of de Vierde Symfonie van Brahms of naar een ontzettend cool, groovy West-Afrikaans bandje.


En dat vind ik het wonderlijke: de meneer die hier woont, nu in de VS zit, en een behoorlijk Groot Schrijver blijkt te zijn (ik zie zo 30 titels op zijn naam, waarvan er een stuk of 6 ook in het Nederlands zijn vertaald: google de titels De Wereldverzamelaar, Gebruiksaanwijzing voor India, en Aanslag op de Vrijheid, en je hebt hem te pakken) houdt van dezelfde muziek als ik (die toch geen mainstream combinatie is), heeft dezelfde boeken gelezen als ik (alleen 100 keer meer), heeft in vergelijkbare landen gewoond als ik (India, Zuid-Afrika), en vindt bovendien ook nog dezelfde dingen mooi als ik.


Alles is mooi hier: de meubelen, de plaatsing van de lampen, de muziekinstrumenten uit India en zuidelijk Afrika, de cd-collectie, de geluidsinstallatie; zelfs het servies vind ik stijlvol en smaakvol - en daar verschillen meningen vaak verschrikkelijk over. Hangen smaak, politieke instelling, levenshouding (rusteloosheid  - altijd maar reizen) met elkaar samen? Ja, natuurlijk, zal elke socioloog betogen. Maar dat iemand die ik nog nooit gezien heb, en die 1000km verderop woont zoveel overlap heeft met hoe ik mijn leven inricht... Sociale klasse... Habitus... het komt plotseling wel heel dichtbij.


Het is bijna een beetje te perfect. Maar ik verberg me dus in dit intellectuelenparadijs (zoals er ook een kattenparadijs is). Er is geen enkele noodzaak om naar buiten te gaan - ik heb nog zo veel prachtige boeken te lezen en te bekijken en nieuwe hoekjes met Afrikaanse beelden of facsimile's van Middeleeuwse manuscripten te ontdekken, nieuwe bandjes te beluisteren. Reizen op 100m2 - dat kan ook. En met het heupverhaal is dat nu even ontzettend troostend.

zaterdag 23 januari 2016

Ingehaald



 
Het heeft de hele dag gesneeuwd hier in Wenen. Fijne trage vlokken poedersneeuw. Intussen zaten we de hele dag binnen in het voormalig kloosterlijke, en later academische ziekenhuis van Wenen, waar nu de universiteitscampus gevestigd is. 
 
We confereerden  over de geschiedenis van oorlogsmuziek: de manier waarop muziek ingezet werd op het slagveld, in diplomatieke onderhandelingen, op handelsmissies, en in koloniale veroveringen, als niet te onderschatten statussymbool van de soevereiniteit van de machthebbers. 

Dat geeft veel blogpotentieel over mijn academische medemens. Lekker stereotyperend, maar het mag hoor, want het zijn mijn eigen mensen en we zijn toch allemaal onaangepaste reservaatbewoners. Het moet maar eens afgelopen zijn met die zelfcensuur van politieke correctheid. 

Ik was weer bij de historici, die lui die zo graag willen geloven wat ze in hun geschreven bron uit verre tijden lezen en zien, omdat het nu eenmaal het enige is wat we overgeleverd hebben gekregen. Ik ben intussen ondergedompeld in postkoloniale theorievorming die stelt dat bronnen per definitie met een bepaald belang zijn geschreven of getekend. Voor je die bron überhaupt kan gebruiken moet je eerst dat belang uitgevogeld en bekritiseerd hebben. Dat kan verlammend werken, en de historici van vandaag en gister laten zich niet verlammen. Die gaan - soms zonder kritische omhaal - gewoon met die bronnen aan de slag… Yeeks. 

Er waren een aantal Duitse en Oostenrijkse professoren (mannen, natuurlijk) die nog Engels spreken op zijn Duits: “Wee can zay zet ze military music had various vunctions…” Dan een Amerikaanse hoogleraar van een dertien-in-een-dozijn universiteit uit de Mid-West. Zo eentje die de hele dag met tinnen soldaatjes speelt om strategieën te reconstrueren, maar dan met muziekinstrumenten. 

En dan waren er toch ook nog wat vrouwen, tussen de 35 en de 50, onder wie ikzelf, op het eerste gezicht onplaatsbaar in leeftijd en carrièrestatus, onbemiddelbaar in relationeel opzicht, maar wel vrij, met de ene levensloop nog spectaculairder en onthechter dan de andere. Opgegroeid bij de Indianen (sorry: First Nation Americans), onderonsjes met Claude Lévi-Strauss, Oostblokspionageverhalen, … stoer…

Sheherazade was de uitzondering - zij was in alles een herkenbare eerbiedwaardige oude professor. Afkomstig uit Irak en al decennia hoogleraar aan een prestigieuze Parijse universiteit, tot in de puntjes verzorgd, en ondanks haar frêle voorkomen positioneerde ze zich vierkant. Ze stond erop lokale gerechten te eten tijdens de lunch, maar ze eet ook strikt vegetarisch. We probeerden haar uit te leggen dat dat wat lastig is, maar dat weigerde ze eenvoudigweg te horen. "Het is een schande" riep ze uit, dat ze nu hier in Wenen veroordeeld was tot het eten van Franse uiensoep. FRANSE uiensoep. Quel horreur. Ze kreeg het voor elkaar om daar gedurende de lunch wel vijf keer op terug te komen. Maarja, ze had wel gelijk natuurlijk...

Dan was er een Britse hoogleraar van het meest gerenommeerde oriëntalistische instituut in Groot-Brittannië, met brillenglazen die zo dik waren dat zijn ogen erachter rondzwommen. Hij gaf met afstand de beste presentatie, maar niet nadat hij aangekondigd had dat hij niet wist of hij de uitmuntende presentaties die hij al gehoord had zou kunnen overtreffen. Toen iemand hem in de slotdiscussie fout citeerde, riep hij: “I think I might have misguided you there!”

Maar de interessantste deelnemer aan de expert meeting vond ik Manfred, een tubaspeler uit de Duitse Bundeswehr. Alle vooroordelen over koperblazers zijn op hem van toepassing (luidruchtig, botte grappen, veel bier), en dan komt hij ook nog uit het leger. Het Duitsche leger wel te verstaan. Deze Oberstleutnant heeft zich zo grondig in allerlei oorlogsmuziekpraktijken verdiept dat hij erop gepromoveerd is, en sindsdien loopt hij alle conferenties af die maar iets met het onderwerp te maken hebben. 

Na de eerste presentatie begon ik al meteen te zeiken over de niet-neutraliteit van bronnen. In de pauze becomplimenteerde hij me met mijn kritische vraag: “Wiz diz kind ov stuff you need ze feemales”, vertrouwde hij me toe. “Zey have ze outzider’s view on ze zubject. Ziz iz very important.”

Genoeg redenen voor mij om hem (inwendig) uit te lachen. Tijdens de expert meeting bleek dat vrouwen wel degelijk ook rollen vervulden in het maken van oorlogsmuziek. En het onderscheid tussen insiders en outsiders maken we in de etnomusicologie ook al lang niet meer. Elke deelnemer aan het onderzoeksproces is immers in sommige opzichten een insider en in andere een outsider. 

Maar Manfred wist wel werkelijk alles. Welke soorten trommels er gebruikt werden bij welke veldslag, wat de Oostenrijkers van de Ottomanen hadden overgenomen (ensembles die zich later als ceremoniële brass bands over de hele wereld verspreidden), hoe welk instrumnet bespeeld moest worden, wat de symbolische waarde was die aan instrumenten werd toegekend. 

En ik moest denken aan mijn ontmoeting met de b(r)oer uit KwaZulu-Natal, bijna 8 jaar geleden. Ook toen werd ik ingehaald door mijn eigen vooroordelen, omdat mijn eis voor openheid zelf gesloten was geraakt. Gesloten door mijn eigen oordelen over wat ik bekrompen vind en wat niet. 

Dus het was verfrissend voor me om weer eens met die ouderwetse historiografen om de tafel te zitten.

vrijdag 22 januari 2016

Riesenschnitzel

Ik word altijd bijzonder opgewonden als ik naar een plek ga waar ik nog nooit geweest ben, waar ik zelf nooit iets aan den lijve heb ondervonden, maar wel veel over gehoord heb, in combinatie met de wetenschap dat ik er langere tijd zal verblijven.

KwaZulu-Natal in Zuid-Afrika was zo’n plek (zie mijn blogs over Durban), en Wenen is ook zo’n plek. Ik ben er nu een dagje of 3 voor een expert meeting aan de Universität Wien. In april en mei geeft die universiteit mij, dankzij een gewonnen beurs, een haven om te kunnen schrijven aan mijn boek over maskanda. Zou je niet denken, hè? Er is meer aan Wenen dan mozartballen en schnitzel, net zoals er meer aan KwaZulu-Natal is dan oorlogsdansen en slachtrituelen. 

De Universiteit van Wenen heeft een eerbiedwaardige (en daarmee ook problematische) traditie op het gebied van de bestudering van talen en muziek uit zuidelijk Afrika. Dus deze voormalige hoofdstad van het Habsburgse Rijk, het walhalla van de koffiehuizen, en het provinciale opportunistische kruispunt tussen Oost- en West-Europa tijdens de Koude Oorlog is de plek om over Zuid-Afrika na te denken. Het is maar dat je het weet.
En Wenen begroette mij in zijn volle stereotype splendour: met sneeuw op de eerbiedwaardige lanen, en op de ouderwetse trammetjes; met een ongelooflijk aardige Turkse taxichauffeur (de Turken liggen nu niet meer voor Wenen zoals in 1529 en 1683, maar ze wonen er gewoon) en met een kamer in een prachtig clasissistische hotel naast een van de vele kerken die er hier te vinden zijn. Op de site zie je het zolderraam links van het midden: dat is mijn kamer. 

Op het vliegveld kwam ik ook nog Micha Hamel tegen, die mij wel herkende en ik hem niet meteen--Eeeeks. Er gaat een nieuwe stuk van hem in premiere in Bratislava ter gelegenheid van het Nederlandse EU-voorzitterschap. “Het is maar een uurtje rijden” zei Micha. Heel vreemd vond ik dat. Ik kan maar niet geloven dat Wenen een stuk oostelijker ligt dan Praag, en dat dat Gordijn weg is.

Vanuit mijn  zolderkamertje onder het dak van het hotel met uitzicht over de besneeuwde Donaustad bedacht ik dat ik mijn woonplaats-voor-10-weken eens ging verkennen. Ik heb enkele weken geleden al een prachtig appartement gevonden via AirBnB. De ruimte sprak me aan, ik reageerde erop en de eigenaar bleek een Duits schrijver en uitgever, en voormalig vluchteling uit Bulgarije te zijn, die opgegroeid was in Kenia en jarenlang in Zuid-Afrika had gewoond. Hij heeft het libretto geschreven voor een opera van een Zuid-Afrikaanse componist en hij kon een tijdje de VS niet in omdat hij de NSA kritisch onder de loep genomen had. Gek hè. Een woonhuis staat je aan en dat blijkt dan in bezit te zijn van iemand met wie je heel veel waarden deelt. Dat weet je niet van te voren. Of misschien ergens toch wel weer wel...

Dus gisteravond wandelde ik op mijn gemak door de knisperende vrieskou naar mijn toekomstige huis. Het is fijn om ergens te zijn waar je nog niet bent, maar toch al even kunt komen spieken. Ik liep langs winkels waar ik straks inkopen ga doen, langs tramhaltes waar ik straks op ga stappen, langs restaurantjes waarvan ik dankzij AirBnB-reviews al weet dat ze supergoed zijn.

Ik vond het appartement, met de naam van de NSA-kritische schrijver op het naambordje. Ik belde niet aan. Ik ben er immers nog niet. Een buurman ging het appartementencomplex binnen terwijl ik op de naambordjes tuurde. Hij lachte naar me. Mooie man. Ik lachte terug en liep door. Een rustig, art-nouveau-achtig straatje na een vijfsprong met een rammelend trammetje, een barok kerkje aan de overkant, krakende sneeuw onder mijn zolen. Helemaal goed. Op het restaurantje op de hoek ben ik een Riesenschnitzel gaan eten.